Kabels en Leidingen op een andere locatie dan verwacht. Voor wie zijn de kosten?

In een recent geschil voor de Raad van Arbitrage voor de Bouw trof aanneemster kabels en leidingen aan, waar zij deze niet verwachtte (RvA 17 januari 2019, No. 36.435). Aanneemster bracht de daardoor ontstane kosten als meerwerk in rekening bij opdrachtgeefster. Opdrachtgeefster was van mening dat deze kosten inbegrepen waren in de overeengekomen aanneemsom.

Maarten Suermondt Senior juridisch medewerker bij Severijn Hulshof

In een recent geschil voor de Raad van Arbitrage voor de Bouw trof aanneemster kabels en leidingen aan, waar zij deze niet verwachtte (RvA 17 januari 2019, No. 36.435, nog niet gepubliceerd). Aanneemster bracht de daardoor ontstane kosten als meerwerk in rekening bij opdrachtgeefster. Opdrachtgeefster was van mening dat deze kosten inbegrepen waren in de overeengekomen aanneemsom.

Opdrachtgeefster stelt ter onderbouwing dat aanneemster, op basis van de door opdrachtgeefster verstrekte informatie in de aanbestedingsfase, rekening had moeten houden met de aanwezigheid van kabels en leidingen. Het was volgens opdrachtgeefster duidelijk dat er een transformatorhuisje in de directe nabijheid van het werk stond, waarover, bij twijfel, in ieder geval vragen gesteld hadden moeten worden door aanneemster. Dat is niet gebeurd. De werkzaamheden in verband met de kabels en leidingen zijn op basis van de overeenkomst voor rekening van aanneemster. Op grond van de werkomschrijving is aanneemster hiervoor immers verantwoordelijk. Hierin is onder meer opgenomen dat aanneemster geacht wordt vóór de inschrijving op de hoogte te zijn van het werkterrein. Aanneemster had bovendien al een klic-melding gedaan, zodat zij moet hebben geweten van de kabels en leidingen. Aanneemster zou ook verklaard hebben dat zij wist dat er ergens kabels en leidingen moesten zijn, alleen dat zij niet precies wist waar deze lagen.

Aanneemster stelt dat opdrachtgeefster in de ontwerpfase verantwoordelijk is voor het duiden van eventuele kabels en leidingen (§ 5 UAV 2012). De eigen verplichting tot het doen van een klic-melding ziet op de uitvoeringsfase. De klic-melding die aanneemster al had gedaan, zag op de, eerdere, verwijdering van een aantal bomen en was beperkt tot de exacte locatie van die bomen. Daar lagen geen kabels en leidingen. Aanneemster stelt verder dat de aanwezigheid van het transformatorhuisje geen reden kan zijn om de verantwoordelijkheden te verschuiven. De kortste route van het huisje naar de openbare weg liep niet door het werk. In de oorspronkelijke bouwplannen zou het werk nabij het tracé van het transformatorhuisje naar de openbare weg worden uitgevoerd; in de definitieve plannen werd meer afstand gehouden. Aanneemster voert verder aan dat in de stukken wordt verwezen naar de WION. Op grond van art. 2 WION moet een opdrachtgever zorgen dat graafwerkzaamheden in zijn opdracht zorgvuldig moeten kunnen worden verricht. Aanneemster stelt eveneens dat zij mondeling opdracht heeft gekregen van de architect om de werkzaamheden uit te voeren.

Arbiter stelt aanneemster in het gelijk. Gelet op het bepaalde in § 5 UAV 2012 behoort het in de ontwerpfase tot de verplichtingen van opdrachtgeefster om kabels en leidingen in kaart te brengen en informatie daarover aan aanneemster te verstrekken. In het bestek is hiervan niet afgeweken. De verplichting van aanneemster om een klic-melding te doen ziet op de uitvoeringsfase. Aanneemster heeft verder terecht gewezen op de verplichtingen van opdrachtgeefster op grond van de WION. Arbiter refereert ten slotte ook aan de door kennisplatform CROW gepubliceerde “Richtlijn zorgvuldig grondroeren van initiatief- tot gebruiksfase”. Deze richtlijn is niet vermeld in de werkomschrijving, maar geldt wel als een binnen de sector gebruikelijke norm. In deze richtlijn wordt ook nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende fases. Het uitgangspunt is dat de initiatiefnemer/ontwerper verantwoordelijk is voor het verzamelen van gebiedsinformatie en het lokaliseren van kabels en leidingen in de initiatief-, onderzoeks- en ontwerpfase. Aanneemster moet vervolgens, in de uitvoeringsfase, de precieze ligging van kabels en leidingen lokaliseren aan de hand van de verkregen gebiedsinformatie.

Volgens arbiter mocht aanneemster uitgaan van de afwezigheid van kabels en leidingen en moest zij daarover evenmin nadere vragen stellen tijdens de aanbestedingsprocedure. Aanneemster moest opdrachtgeefster niet waarschuwen nu aanneemster ervan mocht uitgaan dat opdrachtgeefster in een eerdere fase zelf onderzoek had gedaan en er overigens geen sprake was van klaarblijkelijke fouten in de door of namens opdrachtgeefster voorgeschreven constructies of werkwijzen, in de door of namens opdrachtgeefster gegeven orders en aanwijzingen of in de door opdrachtgeefster ter beschikking gestelde bouwstoffen of hulpmiddelen (§ 6 lid 14 UAV). “Het enkele feit dat op een naastgelegen terrein een transformatorstation aanwezig was en aanneemster volgens opdrachtgeefster tijdens een vergadering (…) zou hebben gezegd te hebben geweten dat er kabels liepen, maar dat zij alleen niet wist hoe die zouden lopen, maakt het voorgaande niet anders. Dat betekent immers niet dat ook op het werkterrein van aanneemster kabels en leidingen liepen. Dit geldt te meer nu, zoals aanneemster stelt, de kortste weg van het (…) transformatorstation naar de openbare weg over een ander perceel liep. Tenslotte moet ook overwogen worden, dat opdrachtgeefster in haar eerste bouwplannen nieuwe bergingen op dit tracé had geprojecteerd.

Arbiter overweegt, met betrekking tot de plicht tot het stellen van vragen door aanneemster, nog dat de termijn voor het stellen van vragen reeds was verlopen toen aanneemster de werkomschrijving ontving. Opdrachtgeefster heeft daarnaast onvoldoende toegelicht waarom aanneemster wel vragen zou moeten stellen, terwijl de architect naar eigen zeggen geen aanleiding zag onderzoek te doen naar de aanwezigheid van kabels en leidingen, omdat gebouwd zou worden op de plek van al bestaande bebouwing. Dit terwijl de architect, gezien zijn eigen tekeningen, wist van de aanwezigheid van het transformatorhuisje. Het feit dat de architect expliciet mondeling opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de (extra) werkzaamheden is niet betwist. Met betrekking tot de bekendheid met het terrein overweegt arbiter dat deze verplichting enkel ziet op de uiterlijke verschijningsvorm van het werkterrein en dus niet op wat in de grond zit.

Arbiter is dus van mening dat de door aanneemster verrichte werkzaamheden voor het onderzoek naar kabels en leidingen niet tot haar aangenomen werk behoorden, zodat sprake is van meerwerk. Het moest opdrachtgeefster redelijkerwijze duidelijk zijn dat deze extra werkzaamheden gepaard gingen met een meerprijs. Opdrachtgeefster leek een sterke zaak te hebben op basis van de door haar gestelde feiten en omstandigheden. De zaak liep voor haar echter vooral uit op een deceptie, omdat haar, overigens niet onbegrijpelijke, veronderstellingen werden ingehaald door haar feitelijke verplichtingen tijdens de eerste fases van het project.