Certificering: goed geregeld of niet?

In de bouw is - zoals bij zoveel branches - het certificeren van producten en diensten aan de orde van de dag. Komo, Kiwa, Kema, ISO, NEN-EN, VCA, SKW, Bouwgarant, iedereen kent in zijn of haar branche wel één of meerdere certificaten (of keurmerken), die betrekking hebben op de dienstverlening of het te leveren product. In sommige gevallen is certificering (wettelijke) verplicht, in andere gevallen gaan bedrijven daartoe vrijwillig over. In alle gevallen draagt certificering bij aan het vertrouwen in de kwaliteit van het product of de dienst. Zekerheid rond de verlangde kwaliteit en toe te passen werkprocessen, daar draait het vooral om bij certificering. Mensen willen nu eenmaal waar voor hun geld en hoeveel makkelijker wordt de keuze als een dienst of product is voorzien van een ‘keurmerk’. Maar wat mag je dan verwachten?

Arno Duijverman advocaat bij Severijn Hulshof

Deze vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden, zo bleek wel in het geschil tussen Van de Haar Montage B.V. (hoofdaannemer) en Normec Certification B.V.[1] Kort samengevat heeft Van de Haar in opdracht van X asbesthoudende daken vervangen van een aantal loodsen. Van de Haar heeft daartoe asbestverwijderingsbedrijf AMF Solutions B.V. (als onderaannemer) ingeschakeld. AMF heeft echter bij de uitvoering van het werk steken laten vallen. Van de Haar wordt (als hoofdaannemer) door haar opdrachtgever aangesproken op de tekortkoming van AMF. In de procedure die volgt wordt Van de Haar veroordeeld tot vergoeding van de door haar opdrachtgever geleden schade als gevolg van de tekortkoming van AMF. Van de Haar houdt op haar beurt AMF aansprakelijk. In de procedure tussen Van de Haar en AMF wordt Van de Haar in het gelijk gesteld. AMF zal de schade moeten vergoeden die Van de Haar aan haar opdrachtgever moet betalen. Tot zover is er geen vuiltje aan de lucht, totdat het faillissement van AMF de verhaalsmogelijkheden tot nul reduceert en AMF bovendien niet bleek te beschikken over een aansprakelijkheidsverzekering. Wat nu, moet Van de Haar hebben gedacht. Ik heb toch zaken gedaan met een gecertificeerde onderneming, hoe heeft dit dan toch kunnen gebeuren?

 Certificering en zorgplicht

Normec had als certificerende instelling het ‘Procescertificaat Asbestverwijdering’ aan AMF afgegeven. Daarvoor is onder meer vereist dat het asbestverwijderingsbedrijf ‘voor haar dienstverlening adequaat is verzekerd’. AMF had bij haar aanvraag voor certificering een offerte ingesloten voor het sluiten van een schadeverzekering voor asbest. Normec heeft echter niet gecontroleerd of die verzekering daadwerkelijk was afgesloten. Volgens Van de Haar heeft Normec aldus ten onrechte – zij beschikte tenslotte niet over de vereiste verzekering – AMF gecertificeerd. Van de Haar vertrouwde erop dat Normec – overeenkomstig het op de wet gebaseerde certificatieschema – had geverifieerd of de schadeverzekering door AMF was afgesloten. Door dat niet te doen handelt Normec in strijd met haar zorgplicht, die evengoed strekt tot bescherming van de belangen van een (hoofd)aannemer/opdrachtgever, aldus Van de Haar. Normec heeft daardoor onrechtmatig gehandeld en is daarmee aansprakelijk voor de schade die Van de Haar lijdt.

Strekking van de verzekeringsplicht

Hoe logisch deze redenering ook lijkt, de Rechtbank oordeelt anders. Volgens de Rechtbank is de certificeringsplicht in het leven geroepen om de ‘veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid te waarborgen’. Het belang dat door Van de Haar wordt aangevoerd, het gevrijwaard blijven van insolventierisico’s van een onderaannemer, behoort daar niet toe. De verzekeringsplicht waarop Van de Haar zich beroept, betreft veiligheids- en gezondheidsrisico’s en niet die van insolventie van een onderaannemer. De vordering van Van de Haar wordt om die reden afgewezen.

Lessons learned

Certificering geeft informatie over het te leveren product of de dienst en is effectief als het gaat om de beheersing van kwaliteit en werkprocessen. Certificering kent echter ook een begrenzing in de standaarden waartegen gecontroleerd en gecertificeerd wordt. Binnen die contouren kan er een beroep worden gedaan op de aanbieder van het gecertificeerde product of de gecertificeerde dienst (en onder omstandigheden de certificerende instelling) als er wordt afgeweken van het certificaat. Het blind vertrouwen op een certificaat of keurmerk is hoogst onverstandig. Een certificaat of keurmerk alleen is immers géén garantie voor een goed eindresultaat.

[1] Vonnis Rb Gelderland, 21 maart 2018, nr. 314535; NJF 2018/585